Huisvesting gemeente

 

De regievoerder van het COA koppelt de statushouder aan een gemeente op grond van de halfjaarlijkse taakstelling. 

 

De gemeente gaat met de woningcorporatie(s) op zoek naar een woning. De gemeente heeft 10 weken de tijd om huisvesting te regelen en twee weken om de verhuizing te laten plaatsvinden. De statushouder verblijft in afwachting van huisvesting in de gemeente op een opvanglocatie van COA. Dat kan kortijdig op een centrale opvanglocatie (bv Ter Apel) zijn of wat langer op bijvoorbeeld een AZC (een AZC in de regio of daarbuiten). Het overgrote deel van de statushouder die de regio Hart van Brabant huisvest, verhuist vanaf een AZC buiten de regio.  

Fase 1 Koppeling aan gemeente (2 weken)

Het COA heeft na vergunningverlening twee weken de tijd om informatie over de vergunninghouder te verzamelen en de koppeling tot stand te brengen. Het COA neemt de informatie over vergunninghouders op in het Taak Volg Systeem (TVS). Dit is een systeem waarop COA en gemeenten kunnen inloggen om gegevens uit te wisselen. De gemeente ontvangt via TVS een melding dat een statushouder is gekoppeld.  

Fase 2 Gemeente regelt woonruimte (10 weken)

De gemeente meldt aan de woningcorporatie(s) en de organisatie voor maatschappelijke begeleiding dat een vergunninghouder moet worden gehuisvest en geeft relevante gegevens door. Zodra een woning is gevonden, stelt de corporatie een huurcontract op. Maatschappelijke begeleiding regelt met de statushouder het bezichtigen van de woning, het tekenen van het huurcontract, de overschrijving in de BRP, de aanvraag van een uitkering etc.. De vergunninghouder keert terug naar het AZC om de verhuizing voor te bereiden.

Fase 3 De verhuizing (2 weken)

In deze fase verhuist de statushouder van een AZC naar de woning. De gemeente toetst de aanvraag van een uitkering en regelt het inrichtingskrediet. Maatschappelijke begeleiding ondersteunt de statushouder bij woninginrichting, woningklussen etc.